U bent hier: Home CI in het AMC Operatie

Operatie

Hoe verloopt e.e.a. voor, tijdens en na de operatie?

Welk oor wordt geopereerd?

In principe wordt één van beide oren geïmplanteerd. Welk van beide oren wordt geopereerd, hangt af van een aantal factoren die per kandidaat kunnen verschillen. De KNO-arts en de audioloog van ons team bespreken samen met u de keuze van het oor tijdens de selectieprocedure.

Wat gebeurt er tijdens de operatie?

Tijdens de operatie wordt het inwendige deel van het CI aangebracht: de ontvangstspoel en de ontvanger worden op de schedel geplaatst en de elektroden worden via een doorgang door het bot in het slakkenhuis geschoven. Vóór de operatie wordt het haar achter het oor wat weggeschoren om de kans op infectie zo klein mogelijk te houden. Het haar groeit na de operatie gewoon weer aan. Tijdens en soms ook na de operatie krijgt een patiënt daarnaast antibiotica om de infectiekans te verkleinen.

Tijdens de operatie wordt de huid achter het oor opgelicht en een opening in het bot geboord die de oorchirurg via het middenoor toegang moet geven tot het slakkenhuis. In de wand van het slakkenhuis maakt de oorchirurg vervolgens een klein gaatje (diameter ca. 1,5 mm), waardoor de elektrodebundel voorzichtig naar binnen kan worden geschoven. Tenslotte wordt de ontvanger van het CI geplaatst in een tijdens de operatie uitgefreesde groeve in het schedelbot achter het oor. Na het dichthechten van de huid kan het inwendige deel van het CI (bestaande uit de ontvangstspoel, de ontvanger en de elektroden) niet meer verschuiven. Bovendien zal tijdens de eerste maanden na de operatie rondom dit deel van het implantaat littekenweefsel ontstaan dat het implantaat nog steviger op zijn plaats houdt. 

De operatie vindt plaats onder narcose en duurt een aantal uren. De opname in het ziekenhuis duurt meestal 3 of 4 dagen. 

Tijdens de operatie worden enkele tests gedaan om te beoordelen of het implantaat goed functioneert. Tevens wordt dan een eerste indruk verkregen van de mate waarin het gehoor via het implantaat elektrisch gestimuleerd kan worden. Deze informatie kan enkele weken na de operatie gebruikt worden bij de afregeling van het implantaat. 

Aan het eind van de operatie wordt een hoofdverband aangelegd. Dit hoofdverband is soms lastig voor brildragers. Na de operatie kan er sprake zijn van duizeligheid, misselijkheid en oorsuizen. Deze klachten komen beperkt voor en zijn vaak van korte duur. Er is slechts beperkt sprake van pijnsensaties na de operatie.

Risico’s

Bij cochleaire implantatie wordt over het algemeen gebruik gemaakt van technieken die ook bij andere ooroperaties worden toegepast. Cochleaire implantaties worden steeds door een ervaren operateur uitgevoerd. Toch kunnen zich in een enkel geval problemen voordoen. De kans op complicaties is echter klein en de risico’s zijn vergelijkbaar met die van andere ooroperaties (zie hiervoor ook de folder ooroperaties en cochleair implantaat van de Nederlandse KNO-vereniging, www.kno.nl). 

Soms kunnen er naast algemene risico’s als infecties, wondgenezingsproblemen e.d. meer zeldzame complicaties optreden. Na cochleaire implantatie kan uitval of beschadiging van de aangezichtszenuw voorkomen. De kans hierop is echter uiterst gering. Daarnaast is het mogelijk dat er na cochleaire implantatie een licht verhoogde kans op hersenvliesontsteking ontstaat. Daarom worden alle personen die in aanmerking komen voor een CI tegen hersenvliesontsteking gevaccineerd. 

In een aantal gevallen gaat na implantatie eventueel ’restgehoor’ van het geopereerde oor verloren. Hierdoor zal gebruik van een conventioneel hoortoestel op dit oor waarschijnlijk geen hoorsensatie meer opleveren. 

Soms blijkt dat het slakkenhuis gedeeltelijk verbeend is (bijvoorbeeld als gevolg van hersenvliesontsteking), waardoor de plaatsing van de elektroden bemoeilijkt wordt. De KNO-arts kan dan besluiten een speciaal implantaat te plaatsen of de elektroden slechts gedeeltelijk in te brengen. De uiteindelijke hoormogelijkheden met het CI kunnen hierdoor minder gunstig uitvallen dan bij gebruik van het complete aantal elektroden. De verbening van het slakkenhuis kan soms dusdanig ernstig zijn dat de operateur besluit een groeve in de cochlea te boren waar de elektrode van buiten af in gelegd kan worden. Soms moet hij geheel afgezien van implantatie of de patiënt voorstellen het andere oor te implanteren.

Herstelperiode

Na ontslag uit het ziekenhuis komt een patiënt enkele keren terug voor poliklinische controle bij de KNO-arts, zodat deze kan beoordelen of het genezingsproces naar wens verloopt. Eén dag na de operatie wordt het hoofdverband verwijderd en de hechtingen worden na ongeveer één week verwijderd. Het spreekt voor zich dat tijdens de gehele herstelperiode enige voorzichtigheid moet worden betracht. Pas na de herstelperiode van enkele weken volgt de activatie en afregeling van het externe gedeelte van het CI, de spraakprocessor. Pas dan zal een CI-gebruiker met het CI geluiden gaan waarnemen en kan de revalidatie starten.